Veel voorkomende woorden

Kynologische woorden en uitdrukkingen

Veel voorkomende woorden

Berichtdoor Caat » 19 mei 2009, 21:07

Alfa:
Het dier dat in de groep de leiding heeft. Bij wolven zijn dat de alfareu en alfateef.

Ambivalent gedrag:
Het dier vertoont twee of meer gedragingen die tegenstrijdig met elkaar zijn. Bijvoorbeeld: hoge staart (dominantie) en naar achteren gerichte oren (onderdanigheid).

Associatie leren:
Leren verbanden te leggen door opgedane ervaringen uit het verleden.

Bekrachtiger:
Een prikkel die ervoor zorgt dat gedrag in de toekomst herhaald wordt of toeneemt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een positieve en negatieve bekrachtiger. Bij een positieve bekrachtiger wordt iets toegevoegd (beloning) en bij een negatieve bekrachtiger wordt iets (onaangenaams) weggehaald.

Borstelen:
Het opzetten van nek- en rugharen zodat de hond groter lijkt. Dit kan een dominante houding zijn of om te dreigen, maar het kan ook een uiting van stress zijn.

Clicker:
Een clicker is een klein doosje met een metalen plaatje. Als men op dit plaatje drukt krijgt men een klikgeluid. Het geluid is niet te verwarren met andere geluiden. Bij het horen van de clicker weet de hond dat hij op dat moment iets goeds doet en een beloning kan verwachten.

Communicatie:
Overdracht van informatie. Bij honden bestaat communicatie hoofdzakelijk uit lichaamstaal.

Correctie:
Een prikkel die ervoor zorgt dat het gedrag in de toekomst niet of minder snel herhaald wordt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen positieve correctie en negatieve correctie. Bij positieve correctie wordt er iets toegevoegd (bijvoorbeeld een pijnprikkel), bij negatieve correctie wordt er iets weggelaten of ontnomen.

Domesticatie:
Het proces dat een diersoort ondergaat waarbij het wilde dier door selectie tot huisdier wordt.

Erfelijke afwijkingen:
Afwijkingen in de erfelijke eigenschappen (genen). Lichamelijke of geestelijke afwijkingen die zijn overgedragen door (een of beide van) de ouderdieren.

Inprentingperiode:
Een kort leerproces waarin jonge dieren hun soortgenoten leren kennen en herkennen.

Instinct:
Een gedragspatroon dat erfelijk is vastgelegd. Leren en ervaringen spelen hierin geen rol.

Inteelt:
Hieronder worden kruisingen verstaan tussen verwanten (broer-zus, neef-nicht). Hierbij loopt men het risico dat slechte eigenschappen zich versterken.

Juveniel:
Jeugdig.

Kalmerende- of conflictvermijdende signalen:
Signalen die bedoeld zijn om conflicten te vermijden en de omgeving van de hond en zichzelf te kalmeren.

Kennelsyndroom:
Hiervan spreekt men als de hond niet gesocialiseerd is in de daarvoor belangrijke socialisatieperiode. Honden kunnen dan angst ontwikkelen voor dingen waar ze in die periode geen kennis mee hebben gemaakt. De ontwikkelde angst is niet meer te herstellen. Het kennelsyndroom komt vaak voor bij honden die bij fokkers achteraf in een schuur opgegroeid zijn.

Klassieke conditionering:
Een vorm van leren waarbij door ervaringen een verband wordt gelegd tussen een van oorsprong neutrale prikkel en het gevolg daarop.

Lezen van gedrag:
Het observeren van de hond en daardoor het gedrag te kunnen "lezen" waardoor het voorspelbaar wordt welke reactie op welke actie te verwachten is.

Loops:
De periode rond en tijdens de vruchtbare periode van een teef. De loopsheid duurt ongeveer 20 dagen. Tussen de 12e en 14e dag van de loopsheid is de teef dekrijp.

Operante conditionering:
Een vorm van leren waarbij de hond zelf leert om invloed uit te oefenen op zijn omgeving.

Overspronggedrag:
Dit vertoont een hond als hij zich in een (interne) conflictsituatie bevindt. De hond vertoont gedrag dat eigenlijk niet bij de situatie past.

Plasrem:
Bij het optillen van de pup zal deze niet gaan plassen. De oorsprong hiervan ligt bij de in het wild levende voorouders. Pups die door de ouderdieren verplaatst worden, laten op deze manier geen reuksporen na voor eventuele vijanden.

Socialisatieperiode:
De periode (3e tot en met 12e week) waarin de hond kennismaakt met zijn omgeving. Door socialisatie ontstaat er een vermindering van angst voor individuen en situaties.

Territorium:
Een gebied dat dieren tot hun eigen domein beschouwen. Voor de hond kan dit zijn huis zijn, met eventueel de tuin, maar ook vaste wandelroutes kunnen zij tot hun territorium gaan beschouwen.

Tongelen:
Het snel even over de bek of neus likken. Dit doet de hond meestal in gestresste situaties.
www.cattledog-coach.nl
www.topdog-coach.nl
Avatar gebruiker
Caat
Beheerder
 
Berichten: 6228
Geregistreerd: 17 nov 2008, 21:55
Woonplaats: Vijlen - Zuid Limburg

Keer terug naar Woordenboek

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 2 gasten

cron